Gegevens, ook data genoemd, zijn wat je verzamelt.Kwantitatieve gegevens zijn aantallen of gemeten hoeveelheden: vijf juiste woorden, zestig seconden.Kwalitatieve gegevens beschrijven eigenschappen: een kaart met tekeningen of een rustige ruimte.Beide kunnen helpen je proef te beschrijven.
Noteer de tellingen in een tabel.Geef aan wat een getal betekent: vijf van de tien woorden is iets anders dan vijf seconden.Gegevens verzamelen is vastleggen wat er gebeurde.Analyseren is de gegevens daarna vergelijken en er een patroon in zoeken.
Bij de controlegroep zijn de scores 4, 5 en 6.Tel op: 4 + 5 + 6 = 15.Deel door drie kinderen: 15 ÷ 3 = 5.Dat is het gemiddelde.Bij de groep met tekeningen is het gemiddelde 7.Laat ook de losse scores staan: een gemiddelde vertelt niet alles over ieder kind.
Een staafgrafiek helpt de gemiddelden vergelijken.Onderaan staan de twee kaartversies.Langs de verticale as staat ‘Gemiddeld aantal juist herinnerde woorden (van 10)’, met een schaal van 0 tot 10.De twee staven hebben hoogte 5 en 7.
Een gemiddelde vat een groep samen, maar vertelt niet de score van ieder kind.